Fictie

Zachte sneeuw

sneeuw
anneke de jong
Geschreven door anneke de jong

Zachte sneeuw

‘Zie je hoe groot de wereld is’, zeg ik tegen de kat in mijn armen. Ik heb haar opgetild en verbaas me over het kopje dat nieuwsgierig de keuken bekijkt. Tegelijk probeer ik me voor te stellen hoe haar wereld er uit ziet op zo’n tien centimeter hoogte. Ik draag haar mee de kamer in en ga voor het raam staan. Weer schiet haar kop van links naar rechts en net als ik bedenk dat ik haar een hele nieuwe wereld inleidt wurmt ze zich los en springt op de grond. Zie je hoe groot de wereld is, herhaal ik in gedachten.

De zin ondertitelt de film die al uren draait in mijn hoofd. Op de tafel staan resten van het gesprek. Twee kopjes aan de ene kant. Eén aan mijn kant. Wat kruimels van een ongemakkelijk opgegeten koekje. ‘Het spijt ons, meneer. We hebben niets meer kunnen doen,’ echoën woorden door de kamer. De kat strijkt langs mijn benen. Ik beantwoord automatisch haar signaal, loop naar de koelkast en zet het eten voor haar neer. Dan pak ik mijn jas en loop naar de garage.

Sneeuwvlokken teisteren de autoruit. Ik kruip dichter bij het stuur om de weg die onder mij doorkruipt beter te kunnen zien. Onophoudelijk jagen flarden witte gordijnen voorbij. Steeds in hetzelfde ritme, steeds in dezelfde cadans.  Ik  verlang ernaar ze te sluiten. Weg te kruipen in een wereld die elke minuut kleiner wordt.

De lampen van de tegenligger zie ik op het laatste moment als hij rakelings en hard toeterend passeert. In een reflex stuur ik mijn auto terug naar de rechter weghelft. In de spiegel zie ik de rode lichten verdwijnen in de al maar dichter vallende sneeuw. Meteen ben ik klaarwakker. Waar wil ik heen? Wil ik ergens heen?

De vragen jagen door mijn hoofd. Net zo als de vlokken jagen tegen de autoruit. De ruitenwissers kunnen het nauwelijks aan. Ik wil niet verder rijden maar ik heb geen keus. Terug naar huis gaan is geen optie. Er is geen thuis meer. Enkel stenen muren waarbinnen herinneringen besloten liggen.

De warme houten vloer van de vorige bewoners, de oranje tafellamp, de geur van stamppot. De vitrinekast waar we als een blok voor vielen. Tegelijk die zelfde oogopslag naar elkaar. Die wordt het! Jong waren we, naïef  nog, maar boven alles dol op elkaar. Elke minuut zonder de ander voelde als gemis. Zonder haar was ik maar een deel van mezelf. Herinneringen. Wat had je eraan als je ze met niemand meer kunt delen. De pijn steekt heftiger. Ik negeer hem, dwing mezelf om me op de weg te concentreren.

Hoe lang rijd ik al? Ik kijk op mijn benzinemeter en schrik. De wijzer staat in het reservegedeelte. Even ben ik bang. Dan dringt de werkelijkheid tot mij door. Waarom zou ik bang zijn. Alles wat ik verliezen kon heb ik verloren. Zomaar. Ineens. Weg.

‘Blijf jij maar liggen, ik breng Joris wel naar de trein.’ Haar mond raakte mijn wang. Te slaperig was ik om haar kus te beantwoorden. Ik zal wel iets gemompeld hebben, vermoed ik. ‘Dag pap,’ hoorde ik Joris stem vanuit de verte. Joris, het bewijs van hun liefde.

Zij bracht hem naar de trein. Er was slecht weer voorspeld. Het zou gaan sneeuwen. Het was maar de vraag of Joris die avond nog thuis kon komen. Hoe vaak gebeurde het niet dat er treinen uitvielen of vertraagd waren met dit weer. Hij zou bij een bevriende student blijven slapen als het nodig was. De auto sputtert. Rijdt nog een paar meters door. Net genoeg om hem langs de kant te zetten. Tenminste daar waar ik vermoed dat de kant is. Het is aardedonker of eigenlijk ook weer niet. Het is wit. Een uitgestrekte lichte duisternis zover ik kijken kan. De sneeuw blijft vallen, bedekt de autoruit. Ik moet uitstappen, maan ik mezelf tot actie, wanneer ik het water de auto binnen voel sijpelen. Maar mijn benen gehoorzamen niet. Het is de stilte die mij koestert. Mij toe dekt.

©Anneke de jong

Lees ook van Anneke : zou oud als Methusalem

 

 

 

 

 

 

 

Like
141936

Over de auteur

anneke de jong

anneke de jong

12 reacties

Geef een reactie